photography

$ 0.0

simen

In de levenscyclus van een gebouw daagt de ruïne ons uit om na te denken over onze sterfelijkheid. Architectuur wordt vaak als permanent gezien, en sommige historische gebouwen -zoals de Acropolis, de piramides van Gizeh, het Pantheon,...- zouden dat inderdaad bevestigen. Toch valt het overgrote deel van onze gebouwde omgeving langzaam in de vergetelheid. We renoveren, vervangen en slopen voortdurend.
Som glipt een gebouw door de mazen heen en wordt het omgevormd tot een ruïne, een langzame terugkeer naar de natuur. In het streven naar piek-efficiëntie lijken ruïnes buitenaards, net als de mensen die er in geïnteresseerd zijn. Hoe meer ruïnes aan de rand van onze omgeving worden geplaatst, hoe aantrekkelijker ze worden als objecten van het cultureel geheugen, inclusief vleugje nostalgie. In het geval van de elektriciteitscentrale dient het gebouw als een herinnering aan een vergeten tijd, het is het structureel afval dat ontstaat door de snelle cycli van de industrialisatie. Na in handen te zijn geweest van meerdere eigenaren, met een veelheid aan ambities en visies, was de centrale het centrum van een economisch en cultureel touwtrekken. Bovendien spreekt de ruïne tot een onbewust wantrouwen in de onbeperkte groei. Ze worden al snel gedoopt als een voorbode van -lokale- maatschappelijke ondergang. Waarbij we worden gewezen op ons falen, of worden herinnerd aan het feit dat we onze tradities, en dus onze identiteit, niet kennen.
Doorheen de geschiedenis is de identiteit van de ruïne geromantiseerd. In de 18e eeuw zagen we het ontstaan van de term ‘Ruinenlust’, een obsessie voor ruïnes. De functionaliteit van het gebouw is ontsnapt en er blijft enkel een ruwe structuur over die vrij te interpreteren valt. De gestripte centrale prikkelt onze verbeelding. Sommigen vinden het een doorn in het oog, anderen geloven dat het een toonbeeld van imperfectie is in een, soms monogaam, landschap. Deze romantisering benadrukt de symbolische aspecten van de ruïne. De afwezigheid van orde en onderhoud transformeert het gebouw voortdurend, het is een viering van multi-tijdelijkheid, de ruïne bestaat in meerdere vormen op hetzelfde moment, een dynamisch samenspel van tijd en omgeving. Ruïnes vormen een gelegenheid om onze relatie met het verleden en ons begrip van tijdelijkheid te heroverwegen. Het verval onthult ongeziene lagen van materiële herinneringen, waardoor herinterpretatie mogelijk wordt.
Ruïnefotografie heeft de laatste decennia aan populariteit gewonnen. Zelfs de architect van de elektriciteitscentrale, Eugène Dhuicque, werd tijdens de eerste wereldoorlog verleid door de schoonheid van de ruïne en documenteerde gebombardeerde kerken en monumenten. Vandaag de dag is het een geaccepteerde vorm van visueel toerisme, waarbij armoede en verval interessant zijn geworden om ‘de ander’ te laten zien, als een toevoeging bij een unieke identiteit van de fotograaf. We esthetiseren de vernietiging van gebouwen verder, waarbij we de sociale implicaties van deze gebouwen vaak links laten liggen. Het is belangrijk de ruïne in zijn context te zien, en de relatie met zijn omgeving te erkennen.
We zouden gemakkelijk kunnen stellen dat de fascinatie voor ruïnes, en hun tijdspatina, voortkomt uit een esthetische vorm die gebaseerd is op sensatie. De aantrekkingskracht die gebaseerd is op het hervormen van mogelijke toekomsten, waaronder plezier en opwinding, maar ook geweld en verval. Toch spreekt de huidige honger naar ruïnes ook van een verlangen om ruimte anders te ervaren en te bedenken. De centrale in Langerbrugge speelt daarentegen een veelal passieve rol in het dagelijkse leven van de omwonenden. Het is een klein deel van het decor van hun dorp geworden, en een aandachtspunt op elke kaart, maar de centrale lijdt aan enig intergenerationeel geheugenverlies. De identiteit van de ruïne wordt wel herkend maar niet ervaren.

/static/js/simple_lightbox.js